Mijn hart ligt bij de boerderij

Nog iedere dag mist Cees van den Broek (88) ‘zijn’ boerderij: ‘t Schop, ooit gebouwd door zijn vader. Iedere week gaat hij een paar keer terug, om te buurten en af en toe wat te vegen. ‘Het boerenleven is het mooiste leven.’

 

‘Als ze bij ons aan het voetballen waren langs de boerderij, ging ik niet eens kijken. Ik was acht, negen jaar. Hier een bal wegschuppen en daar een bal wegschuppen, daar vond ik niks aan. Nee, ik kocht konijntjes voor een dubbeltje het stuk. Op de fiets, met een snee brood in mijn hand, naar Netersel, Lage Mierde, een kistje achterop. Dan kocht ik bij de leverancier een zak maïs van vijftig kilo die ik zelf niet kon tillen. Die maïs maalde ik, en kookte ik in zo’n ouderwetse ketel. Daar voerde ik de konijnen van. Nou, die groeiden tot en met. Een poelier uit de stad kwam altijd bij ons aan: ‘Heb je nog iets voor mij?’ ‘Nee, maar over acht dagen zou het wel kunnen.’ En dan kwam hij de volgende
week terug. Dat handelen zit in me.

In die tijd begon ik ook met zingen: sinds m’n zevende jaar. Mijn eerste koor was een jongenskoor: de dirigent was de schoolmeester. Dit koorpetje droeg ik daar. Van deze petjes zijn er niet meer veel. Ik zou het zo naar de heemkundekring kunnen brengen, maar ik verkoop het voor geen duizend gulden. We droegen een bijpassende stropdas. Hoe druk ik ook was, ik had altijd tijd om te zingen. Mijn vader was ook koorzanger. Hij heeft het vijftig jaar gedaan, dus het zit in de familie. Ik geniet er nog steeds van. Het liefst zing ik eerste stem, hoewel ik feitelijk een bariton ben. De noten boven de balk kun je op mijn leeftijd niet meer hebben, eigenlijk. Maar dat probeer ik toch: bij het Onze Vader gaan we helemaal over de sopranen heen. We hebben hier in Hilvarenbeek een machtige kerk, hij zingt zo lekker. Dat zit in de bouw, in de akoestiek.

Mijn vader - dat was zo’n goei menneke - heeft de boerderij in 1922 gebouwd. Hij heeft het grondwerk zelf gedaan. Met hulp hè, de buren kwamen helpen. Hij is begonnen met zes koeien, een stuk of drie vier kalfjes en een paar zeugen. In 1953 heb ik de boerderij over genomen, maar ik zat vooral in de handel. Veertig jaar lang ben iedere woensdag in de Brabanthallen geweest. Daar was ik ’s morgens al om zes uur, en dan had ik thuis al gemolken. Ik reed ernaartoe met een paar koeien, kalfjes, of pony’s. Handjeklap. Mooi leven. Deze moet je opschrijven: ‘Wie handelt in vee en paarden heeft de hemel op aarde. Maar komt de goeie man te sterven, dan valt er niks meer te erven.’ Ja, het leukste vond ik de handel. En met de paarden omgaan. Ik kocht altijd goede paarden, met de beste benen, want paarden met de beste benen leven het langst.

Wij zijn erg familiegericht. Dat is heel sterk. Mijn vrouw Cornelia - Cor - heb ik 71 jaar gekend: we zijn toen we zestien jaar waren begonnen met scharrelen en dat is nooit meer uit gegaan. Ze was een schat van een vrouw. Zij heeft zestien jaar voor mijn ouders gezorgd, die bij ons inwoonden. Er is nooit één woord over geweest. Iets doen voor een ander: ‘Dés toch mar hil gewoon’, zei ze dan. Wij hebben ook nooit ruzie gehad. Toch moet je elkaar laten gaan, dat doet zo’n zeer. Maar voordat ze stierf heeft ze de vierde generatie in haar handen gehad: prachtig. Liefde is jezelf helemaal opofferen aan de ander. Mijn vrouw heeft  dat gedaan, en ik ook voor haar. Dat was onze grote liefde. Wij hebben sámen een gelukkig leven gehad, en dat is de hoofdzaak. Wij zijn nooit gaan slapen zonder elkaar een kusje te geven. In 58 jaar. Daar ben ik trots op.

Drie of vier keer per week ga ik nog terug naar de boerderij. Daar ligt mijn hart, ik mis het iedere dag. Het zit in de stenen, hè. De boerderij staat hier vlakbij. Als ik er ben, ga ik meer praten en buurten dan werken, hoewel ik af en toe wel eens wat veeg. De boerderij is van mij. Hij ís niet meer van mij, maar hij is van mij... Dat blijft.’

Reacties

Er zijn nog geen reacties



Tagcloud

Partners in dit project zijn:













Ga nu naar de website van Erfgoed Brabant
 
X