Toen ik uittrad had ik niks

Het gouden kruisje om haar hals schittert in de zon: ze kreeg het van haar moeder toen ze vijfentwintig jaar in het klooster zat. Maar Christina Caspers, of Agatha, zoals ze in het klooster heette, had daar verder geen bezittingen. ‘Toen ik intrad had ik een horloge van mijn moeder: dat moest ik afgeven.’

 

‘Vierentwintig was ik, toen ik intrad in het klooster in Tienray. Bij de Missiezusters van het Kostbaar Bloed, een Duitse congregatie. Ik wou eigenlijk niet zo graag, maar ik meende dat ik moest. Zodoende ben ik ingetreden. Mijn moeder was trots dat ik het klooster in ging; mijn vader vond het heel erg. In die tijd, net na de oorlog, traden er wel meer van mijn leeftijd in. Ik was dus lang niet de enige: er waren verschillende meisjes uit Sint Agatha, waar ik opgegroeid ben, of Schijndel.

 

‘Toen ik in het klooster zat, had ik niks van mezelf. Ja, ondergoed had je wel van jezelf. Maar toen ik intrad had ik een horloge van mijn moeder: dat moest ik afgeven. En ik weet dat ik destijds een mooie jurk had. Die heb ik weer meegegeven naar huis. In plaats daarvan kreeg ik een habijt. Ik heb het horloge trouwens later wel teruggekregen, want ik was zó secuur, dat ze mij vroegen om te bellen voor het gebed. Maar daar had ik natuurlijk wel een horloge voor nodig. Ik zal de spullen in het begin vast gemist hebben, maar dat weet ik eigenlijk niet meer zo goed.

 

‘Ik wilde naar de missie, maar daar ben ik nooit terechtgekomen. Er werden veel zusters uitgezonden, en waarom ik daar niet bij zat weet ik niet. Ik heb later wel eens gedacht: zou ik te precies en te schoon geweest zijn? Als ik in die vuiligheid had moeten werken... Je mocht ook weigeren, maar het is me zelfs nooit gevraagd. Ik heb me wel eens afgevraagd of ze misschien iets aan mij gezien hebben. Als ze nu nog zouden leven, zou ik dat wel willen vragen. Maar ik heb er nooit spijt van gehad dat ik niet in de missie gekomen ben, heel raar.

 

‘Ik heb het goed gehad in het klooster. Ik heb nooit gedacht: was ik er maar niet ingegaan. We moesten wel de hele dag werken. Het grootste gedeelte van de tijd heb ik genaaid op de naaikamer: habijten en sluiers, met de machine. We hadden zo’n vijftig zusters en veel zusters in de missie, dus ik heb heel veel genaaid. En op zaterdag en zondag hielp ik dikwijls in de keuken, bijvoorbeeld afwassen of eten opscheppen. We moesten natuurlijk ook op z’n tijd bidden, maar de missiezusters bidden niet zoveel. ’s Morgens vroeg, en ’s avonds. En iedere morgen een mis.

 

‘Ik ben uit het klooster gegaan in die tijd dat alles zo veranderde. Er mocht in Nederland steeds meer, maar wij mochten niets. Dat was de clou: ik voelde mij bekneld. De meeste religieuzen liepen toen bijvoorbeeld al zonder kap of habijt, maar wij hadden nog de kap op. Vóór die tijd had je ook een kap op, maar je was veel minder buiten, dus je had er geen erg in. Maar ze gingen niet mee met de tijd. Ik dacht: dat kán toch niet. En omdat ik zo dacht wilde ik daar niet blijven leven. Ik paste er niet meer. Ik kan het moeilijk uitleggen. Er zijn er bij ons veel uitgegaan, in de jaren zeventig. Ik ben er in 1978 uitgegaan, als één van de laatsten.

 

‘Eén van mijn zusters bleef wel. Zij zat in het klooster, bij de Passionistinnen van Sittard. Dertig jaar heeft zij in de missie gezeten, in Brazilië. Zij is nog steeds bij deze orde: ze wonen nu met vier of of vijf zusters in een gewoon huis. Ze leven nog wel als religieuzen, maar niet afgesloten. Kijk, zulke dingen móchten bij ons niet. Als het niet zo streng was geweest, denk ik dat ik wel in het klooster was gebleven. Maar ik heb geen spijt. Ik heb er geen spijt van dat ik erin ben geweest, en ik heb ook geen spijt dat ik er nu uit ben. Het heeft zo moeten zijn.’

 

‘Toen ik uittrad had ik niks. Dat was niet gemakkelijk. Ik heb eerst een half jaar van armoe in Mill in een bejaardenhuis gezeten. Daarna ben ik in hotel Esser gaan wonen, in Boxmeer. Dat was niet gemeubileerd, de meubels heb ik zelf moeten kopen. Ik had geen bed of niks, maar ik had wel wat geld. Want als wij geld kregen, bijvoorbeeld van een erfenis, mochten ze daar in het klooster niet aankomen. In de jaren zestig heeft mijn broer het ouderlijk huis gekocht en zijn mijn ouders gehuurd gaan wonen. Dat geld is toen verdeeld. En ik heb ook ooit een erfenis gekregen van een oom en tante. Van dat geld, ongeveer vierduizend gulden, heb ik alles gekocht.’


Christina Caspers werd geboren in 1922 in Oeffelt. Het gezin telde vijf dochters en vier zoons. Haar vader werkte op de boerderij van het Kruisherenklooster in Sint Agatha. In dat dorp liet hij in 1932 een grote boerderij bouwen. Toen zij 24 was trad Christina in in het klooster van de Missiezusters van het Kostbaar Bloed, waar zij de naam Agatha aannam. In 1978 trad zij uit het klooster. Ze ging wonen in hotel Esscher, in Boxmeer. Zij woont nu zes jaar in zorgcentrum de Elsendonck in Boxmeer.

Foto's


Reacties

Er zijn nog geen reacties



Tagcloud

Partners in dit project zijn:













Ga nu naar de website van Erfgoed Brabant
 
X