Dat schriftje heb ik altijd bewaard

Cato van Hees, geboren in 1920, is nog steeds een begrip in Mill. Zij verkocht bijna een kwart eeuw in haar snoepwinkel aan de Bernhardstraat snoep, chocolade en rookwaar. ‘Het was een zalige tijd, ik heb zó gelachen.’

 

‘Mijn vader was een echte sjacheraar. Hij ging alle dorpen af. ’s Avonds laat hoorden wij de wielen van de kar ratelen als hij thuis kwam. Hij had ook een handeltje in verse zeevis die hij kreeg van een man uit IJmuiden. Twee grote manden kwamen dan op het station aan. Mijn vader en mijn zusje wogen de vis, en ik bracht het - ik was vijftien jaar oud - op de fiets rond, naar zo’n honderd klanten in de buurt. Schelvis en kabeljauw, maar ook schol - met oranje puntjes - en tarbot. De grote griet met witte stippels brachten we naar de burgemeester als hij een feestje had. Mijn vader had ook een winkel. Die is overgegaan op mijn zuster, toen op mijn broer, en in 1964 op mij. Ik vond het prachtig dat ik de winkel weer mocht opbouwen.’

 

‘De winkel was een sensatie. Als de school uit was, kwamen ze van de mavo, van de lts, maar ook opa’s en oma’s, en moeders die snoep kochten voor feestjes en verjaardagen: van alles kreeg ik in de winkel. De seizoendagen waren geweldig, want dan had je veel werk. Carnaval, Pasen, Moederdag, Vaderdag, de kermis van Mill, Kerstmis, Sinterklaas, Oranjebuurt waar ik ook lid van was. Ik heb zelfs vuurwerk verkocht met Oud en Nieuw. We moesten wel opletten, want de jeugd probeerde stiekem vuurwerk te kopen. Maar ik was streng. Ik zei: ‘Nee, ge brengt van jullie moeder maar een briefje mee, met een handtekening, dán krijgen jullie wat!’’

 

‘Van snoepartikelen had ik alles: een grote vitrine van boven naar beneden stampvol dropsoorten. Dan konden ze aanwijzen. En dozen bonbons en chocolade, heel veel, want daar waren ze allemaal gek op. Ik verkocht ook sigaretten en tabak, want er werd toen toch gerookt! De leraren kwamen ’s morgens binnen voor een pakje sigaretten en als ze in het weekend naar huis gingen was het: geef maar een pak mee, dan heb ik zondag ook wat te roken. Schrijfwaren had ik ook, en cosmetica, haarlak en haarnetjes. We hadden ook bloemen uit Limburg, recht uit de kassen. Ik kreeg op een gegeven moment contact met Lekkerland, een grote onderneming aan de Belgische grens. Als je groot inkocht, kreeg je korting. Dat liep heel goed.’

 

‘Ik werkte iedere dag, want we mochten op een gegeven moment ook ’s zondags verkopen. Mijn man zat daar achter, na zijn pensionering. Die winkel loopt zo lekker, zei hij, die moeten we aanhouden. Hij had een schrift uit de winkel gepakt en alle kinderen zetten hun handtekening omdat zij ook wilden dat de winkel op zondag open was. Ik ging met loden schoenen de trap van het oude gemeentehuis op. Ik vertelde de burgemeester: ‘De jeugd ligt op zondag aan de deuren te rammelen, die wil snoep. Maar ik durf ze niet te helpen, want dan krijg ik een verbaal.’ Toen kregen we een vergunning om op zondag van tien tot zes te verkopen. En dan kwamen er toch veel moeders snoep halen! We hebben ooit geturfd: 89 man! Dat schriftje met kinderhandtekeningen heb ik altijd bewaard, dat vind ik zo mooi. Dat moet een herinnering blijven.’

 

‘Ja, ik werkte zeven dagen in de week. Om twaalf uur ’s nachts stond ik onder de douche, en dan kroop ik in bed. Om zes uur was ik weer wakker. ’s Morgens gingen de kinderen de deur uit, en ’s avonds maakte ik warm eten voor ze. ’s Avonds moest ik ook de winkel poetsen. Toch viel het me wel mee, hoe hard ik werkte. Weet je wat ons moeder namelijk altijd zei? ‘Eerst bezinnen, dan beginnen.’ Je moet gewoon goed opletten, anders loopt het in de soep. Ik had geen assistent. Ja, op zaterdag viel mijn dochter in, tot zes uur. En de jongste hielp na de middag, als ze terugkwam van haar werk in de kousenfabriek. En in de vrije uren hielp mijn man mee: dan was het wel te doen.’

 

‘Mijn man stierf op 7 januari 1994, hij had Parkinson. Maar de winkel hebben wij al in juni 1988 opgeheven. Ik kon het niet meer aan, vanwege de gezondheid van mijn man. Elke nacht was hij wakker. Dat opdoeken heeft me veel pijn gedaan, maar je moet er toch overheen. Op een dag waren we hier in het huiskamertje van de Aldenhorst - daar woon ik nu - aan het rummicubben, toen Frank Peters kwam binnenstappen. Ik ken hem heel goed: hij kwam vroeger altijd bij mij in de winkel. En toen begon hij erover. Hij wilde in de Kerkstraat een snoepwinkeltje beginnen en die naar mij noemen: ‘Catootje.’ Ik stemde toe, waarom niet, zei ik. Mijn naam staat daar nu met grote letters op de ruiten: ik ben weer herboren, na zoveel jaren.’

 

Cato van Hees werd op 8-8-1920 geboren in Mill. Ze was de jongste van tien kinderen, van wie er vier jong stierven. Van jongs af aan was zij betrokken bij de zaak van haar vader, die met paard en wagen allerhande goederen in de regio aan de man bracht. Nadat haar oudste zuster en broer de familiezaak jarenlang bestierd hadden, nam zij op 17 april 1964 het roer over. In juni 1988 werd haar snoepwinkel opgeheven. Met haar man Grad van Hees kreeg Cato van Hees tussen 1942 en 1948 vijf kinderen: twee zoons en drie dochters. Nu woont zij in zorgcentrum Aldenhorst in Mill.

 

Foto's


Reacties

Er is 1 reactie

leny peters
26 jul 12:45
ik kwam als kind ook vaak bij gradje en cato later mijn kinderen ook weer als ze bij ons thuis waren zij vonden het ook leuk . en wij moesten als kinderen ook wel eens stiekem achterom als ons mam iets te kort kwam en de winkel dicht was dit waren mooie tijden in de jaren 60.
 


Tagcloud

Partners in dit project zijn:













Ga nu naar de website van Erfgoed Brabant
 
X