Het is Dini van Hees-van Spaandonk altijd bijgebleven: de stoelen en banken werden in de Enschotse kerk bij opbod verkocht. ‘Maar wij konden niet voor dertien man stoelen kopen.’
Dini van Hees-van Spaandonk ziet het nóg voor zich. Ze was ongeveer vijftien, dus het moet aan het begin van de jaren vijftig zijn geweest. Op een doordeweekse dag zaten de kastelein Torremans en de fabrikant Swagemakers in de Enschotse kerk. De twee heren waren in ‘gevecht’ om een kerkbank, want het kerkbestuur verkocht op deze dag de banken en stoelen bij opbod. De fabrikant werd beleefd om zijn bod gevraagd: ‘Meneer Swagemakers?’ Toen was de kastelein aan de beurt: ‘Torremans?’ Van Hees-van Spaandonk: ‘Hoor je het verschil? De kastelein was geen meneer! Dat heeft als kind zo’n indruk op mij gemaakt. Dat er zo’n onderscheid werd gemaakt.’
Het verpachten van de kerkbanken had voor veel gezinnen grote gevolgen, vertelt Van Hees-van Spaandonk. ‘Wij hadden een groot gezin - vijf zussen en zes broers - dus wij konden niet voor dertien man stoelen kopen. Wij hadden aan de linkerkant van de kerk drie stoelen: voor moeder, vader en één kind.’ En de rest zocht een eigen plekje. Het gebeurde in de jaren vijftig vrij vaak dat de vijftienjarige Dini van Spaandonk in de kerk op haar schouder getikt werd. Dat betekende dat de plaats waar ze zat verpacht was, en dat zij moest verkassen. Dat ging net zo lang door tot ze kon blijven zitten, bijvoorbeeld omdat de stoel niet verpacht was, of omdat de eigenaar afwezig was. Lachend zegt ze: ‘Het was inderdaad een soort stoelendans.’
terzake nogal kritische geluiden ter ore waren gekomen. wijdde daaraan tijdens zijn zondagspreek tussendoor enkele woorden aan. Hij vond het natuurlijk een onvermijdelijke gang van zaken en concludeerde daarbij helemaal in zijn trant : "Je, mense, tegen 'n schuurdeur kunde nie gaope".