Achtergrondinformatie

Wat als je kinderen wilde, maar ze niet kon krijgen? Ongewild kinderloos in de jaren zeventig

In de jaren zeventig hadden Nederlandse stellen die geen kinderen konden krijgen weinig opties. Steeds meer kinderloze echtparen adopteerden in deze tijd een kindje uit het buitenland.

 
Intensieve vruchtbaarheidsbehandelingen als in-vitrofertilisatie (IVF) zijn tegenwoordig vrij normaal, maar dat was in de jaren zeventig niet zo. Als er een oorzaak voor onvruchtbaarheid gevonden werd, konden artsen in de jaren zeventig wel een aantal behandelingen toepassen, zoals hormoonpreparaten of operaties. Maar bij onvruchtbaarheid zonder oorzaak had een stel eigenlijk maar drie opties: kunstmatige inseminatie (bijvoorbeeld met donorzaad), pleegkinderen of adoptie.
 
Kunstmatige Inseminatie (KI) werd in de jaren vijftig in Nederland geïntroduceerd, maar was lange tijd omstreden. Vooral het gebruik van donorzaad was controversieel. Onverantwoord, vond de katholieke arts Antonius Schellen zo’n donorinseminatie. Het kind kreeg namelijk wel een biologische band met de moeder, maar niet met de vader. En voor de vader zou dat ‘een psychologische belasting’ betekenen. Andere artsen vonden kunstmatige inseminatie juist een goed alternatief voor adoptie, omdat een zwangerschap de band tussen moeder en kind zou versterken.
 
De katholieke kerk wees iedere vorm van kunstmatige inseminatie af. Ook inseminatie met het zaad van de echtgenoot was verboden. In de herfst van 1949 hield paus Pius XII zelfs een toespraak over dit onderwerp. Daarin noemde hij KI moreel verwerpelijk, omdat het een ‘niet-natuurlijke voortplantingsactiviteit is.’ De hervormde kerk had minder moeite met kunstmatige inseminatie dan de katholieke kerk. Maar donorzaad ging te ver: ‘De vrouw wordt moeder, de man niet vader,’ vond de Generale Synode, de landelijke kerkvergadering van de hervormden. Dat zou het huwelijk aantasten.
 
In de jaren zeventig veranderde in Nederland de maatschappelijke mening over kunstmatige inseminatie. Steeds meer klinieken boden de behandeling aan. KI was ook vrij succesvol: tussen de vijftig en tachtig procent van de behandelde vrouwen kreeg uiteindelijk een baby. De Zweedse arts Rune Rolland, die in Nijmegen werkte, zag dat de morele bezwaren tegen KI in deze periode ‘in snel tempo leken te verdwijnen.’ Volgens hem kwam dat door het schaarser worden van adoptiekinderen, en het ruimer worden van de normen ‘op sexueel gebied.’
 
Als KI geen optie was of niet werkte, kon een kinderloos stel in de jaren zeventig ook een kindje adopteren. Twintig jaar eerder was adoptie een groot taboe geweest, waar niet openlijk over werd gesproken. Kinderen die in de jaren vijftig geadopteerd waren, na het ingaan van de Adoptiewet in 1956, wisten dat vaak niet eens. Maar in de jaren zeventig werden allerlei taboe-onderwerpen bespreekbaar: ook het taboe-onderwerp adoptie.
 
In de jaren zeventig groeide het aantal buitenlandse adoptiekinderen. Tot aan deze tijd kwamen de meeste Nederlandse adoptiekinderen uit Nederland: zij waren vaak afgestaan door een ongehuwde moeder. Maar vanaf ongeveer 1975 begon het ‘aanbod’ van deze adoptiekinderen te dalen, omdat ongehuwde moeders er steeds vaker voor kozen om hun baby te houden. Een alternatief was om een buitenlands kindje te adopteren. In 1973 werden er bijvoorbeeld 417 buitenlandse kinderen in Nederlandse gezinnen geplaatst. In 1977 waren dat er al 1.105.
 
Het idealisme van de jaren zeventig was een andere reden voor de groei in buitenlandse adopties. Nederlanders wilden zich inzetten voor een betere wereld. In februari 1967 riep schrijver Jan de Hartog mensen op tv op om zich te ontfermen over de vele weeskinderen in Azië. Zijn woorden waren: ‘Al red je er maar één’. Honderden mensen meldden zich aan als adoptieouder en tussen 1970 en 1988 werden maar liefst vierduizend Koreaanse kinderen in Nederland geadopteerd.
 
Buitenlandse adoptie was aan het begin van de jaren zeventig niet makkelijk, omdat het Ministerie van Justitie strenge regels had. Wie een buitenlands kind wilde adopteren mocht niet meer dan twee eigen kinderen hebben en niet ouder zijn dan veertig. En voor elk land van herkomst moest het ministerie afzonderlijk toestemming geven. Maar in 1974 werden de adoptieregels versoepeld. Bovendien kwam er in 1975 een officieel adoptiebemiddelingsbureau, het Bureau Interlandelijke Adoptie (BIA). Particuliere bemiddelingsbureaus bleven wel toegestaan.
 
Adoptieouders konden in de jaren zeventig op verschillende manieren zoeken naar een kindje. Ongeveer negentig procent van de stellen koos voor bemiddeling door het BIA. Andere ouders schakelden een klein bemiddelingsbureau in, of gingen zelf in het buitenland op zoek. Met de kleine bureaus was niet iedereen blij. Adoptiedeskundige René Hoksbergen wilde bijvoorbeeld meer controle op deze bemiddelaars, om misstanden te voorkomen: ‘Dat in het ergste geval sprake kan zijn van ‘child hunting’ en ‘kinderen kopen,’ ligt voor de hand,’ waarschuwde hij in 1979.
 
Tegenwoordig heeft een kinderloos stel meer opties dan dertig jaar geleden. De bekendste vruchtbaarheidsbehandeling anno 2010 is natuurlijk IVF – in-vitrofertilisatie – waarbij de eicel in een reageerbuis wordt bevrucht. Maar adoptie is ook nog steeds een mogelijkheid: in 2009 werden in Nederland 682 buitenlandse kinderen in Nederland geadopteerd. Dat zijn er weinig, vergeleken met de jaren zeventig. Adoptiebureaus proberen adoptiekinderen namelijk eerst in hun eigen land te plaatsen: dat zou het beste zijn voor het kind én de adoptieouders. Pas als in het land van herkomst geen geschikte adoptieouders zijn, komt een kind naar Nederland.
 
Meer informatie
Hier vind je een korte geschiedenis van adoptie in Nederland, met veel cijfermateriaal.
Hier vind je meer informatieover de Koreaanse adoptiekinderen. 

Video's

Achtergrondinformatie

Reacties

Er zijn nog geen reacties


Freya biedt nieuws, achtergrond-informatie, ervaringsverhalen en contact over vruchtbaarheid, problemen met zwanger worden en ongewilde kinderloosheid. Freya is een landelijke en onafhankelijke vereniging met ruim 3.000 leden. Informatieverstrekking, lotgenotencontact en belangenbehartiging zijn de drie sleutelwoorden van de dienstverlening van Freya.Voor meer informatie: www.freya.nl.

Fiom verleent hulp en biedt informatie aan mensen die vragen of problemen hebben op het gebied van een onbedoelde zwangerschap. Ook helpt de Fiom bij het verwerken van zwangerschapsverlies en ongewenste kinderloosheid, biedt adoptienazorg en doet (inter)nationale zoekacties naar familieleden. Meer informatie vindt u op www.fiom.nl.

Ga nu naar de website van Erfgoed Brabant
 
X