De normen in de jaren vijftig en zestig waren duidelijk: eenmaal getrouwd, dan hoorde je kinderen te krijgen. Kreeg je als ongetrouwde vrouw een kind, dan was je een ‘gevallen meisje’ en werd je de schande van de familie. Lange tijd was de opvatting dat deze vrouwen de gevolgen van hun ‘zonde’ moesten dragen, dus dat zij hun kind zelf moesten opvoeden. De zogenaamde afstandsmoeders, zo genoemd omdat zij letterlijk afstand deden van hun kind, werden gezien als ‘moreel lage vrouwen’, op gelijke tree met bijvoorbeeld prostituees. Maar de mening hierover veranderde in de jaren zestig volledig. Een kind ter adoptie opgeven werd nu juist aangemoedigd.
Ongetrouwde, zwangere vrouwen konden terecht in opvanghuizen van bijvoorbeeld de katholieke kerk. Hier konden ze bevallen en werden ze tijdens de kraamtijd verzorgd. In Breda stond bijvoorbeeld vanaf 1924 Moederheil, onder toezicht van de Kleine Zusters van de Heilige Jozef. In 1948 was Moederheil het grootste opvanghuis van Nederland. In dat jaar alleen begeleidden de nonnen 101 ongehuwde moeders en werden in de kraamkliniek 897 baby’s geboren.
De ongetrouwde moeders waren een schande voor de omgeving. De psychiater H.F. Heijmans verwoordde het in 1964 als volgt: “De (aanstaande) niet-gehuwde moeder handelt niet volgens de normen die de maatschappij stelt, zij wordt zwanger buiten de huwelijksverhouding om en ondermijnt zo de algemeen geaccepteerde gezinsstructuur.” Maar veel mogelijkheden om een zwangerschap te voorkomen of af te breken hadden niet: voorbehoedsmiddelen waren nauwelijks te krijgen, abortus was illegaal en bovendien levensgevaarlijk, want uitgevoerd door amateurs zonder enige medische opleiding. Je kind ter adoptie opgeven was tot 1956 ook wettelijk niet mogelijk. Via doktoren, priesters, verloskundigen of familie kon een baby soms terecht bij een kinderloos stel, maar deze oplossing werd – net als ongetrouwd zwanger raken – gezien als zondig.
Een sterke lobby van pleegouders en de wens om een einde te maken aan ondoorzichtige afstandspraktijken leidde in 1956 tot de invoering van de adoptiewet. De opvattingen over afstand doen van je kind veranderden eveneens in de loop van de jaren vijftig. Zou het voor een kind niet beter zijn om twee ouders te hebben, in plaats van alleen een ongetrouwde moeder? De positie van een alleenstaande moeder was bijzonder moeilijk: zo was kinderbijslag tot 1951 alleen bestemd voor gehuwde ouders, en kregen alleenstaande moeders tot de invoering van de bijstandswet in 1965 geen enkele vorm uitkering.
De mening van hulpverleners, overheidsinstanties en de algemene opinie sloeg begin jaren zestig compleet om. De nadruk lag niet meer op de plicht van de moeder om haar kind op te voeden. Adoptie werd nu juist gezien als een positieve oplossing van een probleem. Het enthousiasme van de hulpverleners voor adoptie ging zo ver, dat veel ongetrouwde moeders zelfs werden aangemoedigd hun kind ter adoptie op te geven. Onder druk van hulpverleners en families kozen veel vrouwen ervoor hun kind ter adoptie op te geven, waar velen achteraf spijt van kregen.
In de jaren zeventig had de betere toegang tot voorbehoedsmiddelen en de legalisering van abortus ertoe geleid dat het aantal afstandsmoeders eind jaren zeventig afnam. In dezelfde periode bleek dat veel van de 25.000 vrouwen die hun kind ter adoptie hadden opgegeven, hier moeite mee kregen. Zij wilden weten hoe het met hun kind ging. Ook de afstandskinderen bleken meer dan eens op zoek te gaan naar hun biologische moeder. Adoptie werd niet langer gezien als dé oplossing bij een ongewenste zwangerschap. Tegenwoordig krijgen moeders en vaders betere begeleiding bij het maken van een keuze in het geval van een ongewenste zwangerschap. Of het nu gaat om adoptie, abortus of de keuze om zelf het kind op te voeden.
Lees hier het verhaal van Gerard Maas. Hij werd geboren in kraamkliniek Moederheil in Breda.
Bekijk hier de aflevering van Andere Tijden over afstandsmoeders
op de Baronielaan?